Om kwart voor vijf in de ochtend van 4 mei kwam bij de politie Amsterdam een melding binnen: het Nationaal Monument op de Dam was beklad met rode verf, het woord genocide was groot op het monument geschreven. Schoonmakers hebben de halve dag nodig gehad om het kalksteen weer schoon te maken voor de Dodenherdenking die avond. De actie is diezelfde middag nog opgeëist door Palestine Action Amsterdam, naar eigen zeggen om de “hypocrisie van de herdenkingsdag aan de kaak te stellen”, er is volgens hen wel aandacht voor de slachtoffers van de Holocaust, maar over Gaza wordt gezwegen.
Het is een misvatting die afgelopen jaren vaker voorbij komt, en die los van het vandalisme een weerlegging verdient. Want het punt achter deze boodschap is niet onzinnig. Elke dag sterven kinderen in Gaza onder puin en bezwijken onschuldige Palestijnen door honger en gebrek aan eerste levensbehoeften, een samenleving die nadenkt over de gevolgen van oorlog en genocide kan dat moeilijk negeren. Maar de bewering dat de herdenking zwijgt over Gaza, klopt feitelijk niet; en wie deze boodschap herhaalt, mist de herdenking zelf.
De Nationale Dodenherdenking herdacht tot 1961 uitsluitend de Nederlandse slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Hierna is deze herdenking stap voor stap breder geworden: eerst Nederlandse slachtoffers van oorlogsgeweld na 1945 en later slachtoffers van oorlog en geweld waar ook ter wereld. Deze verbreding kwam niet vanzelf. Ze is aangevallen en betwist, maar op iedere 4 mei stilzwijgend bevestigd door iedereen die om acht uur zwijgt.
De twee minuten stilte omvatten Gaza dus al. Ze omvatten ook Oekraïne, Soedan, Jemen, Syrië, Myanmar en de talloze conflicten die minder internationale aandacht hebben gekregen. Dat is precies het doel van deze universele herdenking: ze claimt geen enkele oorlog en geen enkele oorlog wordt uitgesloten.
Wie nu genocide op het monument schrijft, of “Gaza” schreeuwt bij herdenkingen, keert zich tegen deze universaliteit. Hiermee is hun boodschap, bewust of onbewust: de twee minuten stilte volstaan niet, tenzij ze over míjn zaak gaan. Hiermee wordt een herdenking die, na 60 jaar van discussie, eindelijk ruimte biedt voor al het oorlogsleed teruggebracht tot één conflict. De mensen die op de Dam staan voor hun grootouders, familieleden in Nederlands-Indië, voor gesneuvelde militairen in Mali, of voor een van de honderd andere dierbaren, krijgen impliciet te horen dat hun stilte niet de juiste is.
Dat is geen aanvulling op de herdenking, maar een inbreuk daarop.
Wie werkelijk gelooft dat het leed in Gaza past in de gruwel waaraan we op 4 mei denken, want dat doet het, zou juist moeten erkennen dat de herdenking universeel is en dat duizenden Nederlanders zwijgend stilstaan bij slachtoffers van oorlog en genocide, van wie ze de naam niet kennen.
Empathie is geen luidruchtig bezit. Ze is precies het tegenovergestelde: de kracht om naast iemand anders te staan, ook als je hart vol zit met eigen verdriet. Op 4 mei staan we naast elkaar, voor allen die door oorlog en genocide gestorven zijn. Wie dat moment kaapt voor één zaak, hoe geldig ook, laat zien hier niet toe in staat te zijn.
Er zijn 364 andere dagen per jaar waarop voor Gaza gedemonstreerd kan, en moet, worden. Op die ene avond in mei is het stil, en juist die stilte spreekt ook voor de doden in Gaza mee.

Plaats een reactie